Het was duidelijk dat ik een eendje was, zo'n lelijk eendje. Je kent het
wel. Ik waggelde onhandig, ergens buiten, ergens achter een groep, maar
ik hoorde er steeds niet bij. Ik kon niet zwemmen, ik kon niet vliegen.
Wat kon ik eigenlijk wel?
Jij zag me. Je sprak me aan. Je vertelde dat ik zoveel mooier was, dan
dat ik had gedacht. Je leerde me vliegen, je hield me vast. Je verbond
mijn vleugeltje nadat ik was gevallen en je gaf me extra chocola. Dat
deed je altijd als je je niet goed voelde: chocola eten, depressieve
muziekjes draaien en televisie kijken. (Dat die muziekjes me
neerhaalden, dat de tv me overprikkelde en dat ik ziek word van teveel
zoetigheid, wilde jij niet weten.) Je leerde me opstaan en opnieuw
proberen. Je leerde me verder kijken. Je zei me dat ik een mooie zwaan
zou worden en je hield me vast. Ik geloofde je en ik geloofde alles wat
je zei. Ik ging met je mee.
Bij jou thuis gekomen, kreeg ik te eten, meer en meer. Je gaf me zoveel
chocola, je gaf me koekjes, je gaf me alles wat ik je vroeg. Je vijzelde
mijn zelfvertrouwen op, je liet me zien hoe ik groter werd. Af en toe
vertelde je me hoe slecht je het had (gehad) en dan kroop ik tegen je
aan, of ik liet je alleen wanneer je erom vroeg. Je was belangrijk voor
me. Je had me veel geleerd, je had me veel gegeven. Ik vertrouwde op je
en ach.. die nare dingen hoorden er ook bij. Het leven is niet alleen
maar rozengeur en maneschijn, dat had ik al zoveel eerder begrepen. Soms
hield je me vast, rechtop, met je grote hand om mijn hals, waarbij heel
mijn lijf pijnlijk bungelde en ik niets kon bewegen. Met je andere hand
zette je een klem op mijn mond en je stouwde, je stouwde van alles naar
binnen! Ik liet het gebeuren. Soms ook vroeg ik erom: hé schat, raak je
me nog eens aan? Dat deed je. Het deed er niet toe hoe ziek ik was en
hoe het voor me voelde. Jij was zoveel groter, zoveel sterker dan ik.
Jij kon me makkelijk aan en ik wist me niet te verzetten. Behalve dan
dat je weg zou gaan, dat je nooit meer naar me zou kijken, dat niemand
dan nog zou zien hoe ik opgroeide tot een prachtige zwaan.
Ik wist dat de aandacht ophield bij het voeren. Je zei me wel eens dat
mijn veren vies waren, of dat mijn waggel nog steeds heel lelijk was. Je
liet me niet meer bij je komen, je keek me niet meer met je
puppy-oogjes aan. Er was niets anders nog over dan de momenten van het
eten en ik probeerde met je te praten. Zoals ook jij probeerde te
praten, maar alleen op de momenten dat ik zo ziek was dat ik niets kon
antwoorden. En dan gingen we weer.. Kom op, ogen dicht en doorbijten!
Laten gebeuren, afsluiten. Met een beetje geluk is het over een
kwartiertje alweer over. Niet klagen. Gewoon.. even wachten. Het ging
heel ver. Dat wist ik wel. Maar ja, ik was zo'n lelijk eendje en jij had
het zo slecht. Je kon het zelf niet helpen en ik geloofde, of beter, ik
wanhoopte dat het allemaal weer over zou gaan, dat ik groot zou worden
als ik maar genoeg zou eten.
Het is niet over gegaan. Het werd alleen maar erger, eindeloos erger. Ik
heb het laten gebeuren, voor mij was het normaal. Jij weet niet eens
wat je hebt gedaan. Of later, nu veel later, hoor ik dat je het wel hebt
geweten. Dat je je deels bewust was, of voor zover je dat wilde zijn,
van alles dat je deed. Het dwangvoederen, de mooie praatjes, de
pijnlijke dingen die je ook nog zei en hoe je echt veel sterker was..
Mijn God, mijn liefste! Je hebt me honderd keer geslacht!
vrijdag 1 november 2013
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten