ik zeg niet dat jij het bent hoor
wat ik mis
ik mis zo iemand
die me vasthoudt, die
naar me luistert en me laat vertellen over mijn dag,
iemand die er
gewoon is als ik twijfel, en
iemand die wil weten wie
ik ben
ik zeg niet dat jij het bent, en
ook niet dat ik aan je denk,
ik mis zo iemand
iemand zoals jij
vrijdag 21 mei 2010
zondag 9 mei 2010
liefde is een vreemde ziekte
het is uit.
het is net uit.
jawel, ik ben vrijgezel.
het was even huilen, het was vervelend, zolang gevochten, uiteindelijk tegen beter weten in, maar wat moest ik? Ik wilde.. ik wilde hem. Hij was zo lief, hij zorgde voor me, hij was er voor me. Bij hem voelde ik me veilig, als het niet ging, kon ik bij hem komen. Of dat dacht ik.. uiteindelijk moest ik van alles een drama maken, deed ik alsof het nooit goed ging, alleen om een beetje aandacht. Meneer had het druk, hij had geen tijd voor me, hij maakte het uit. Ai.. na al die tijden dat hij zo voor me was gegaan, dat hij me alles had gegeven, hoe hij zich op me had gestort toen hij me nog amper kende.. was dit toch een bittere pil: nu hij me beter kende, wilde hij niet meer, kon hij niet meer, vocht hij niet meer.
Dus ik was verdrietig, ik was teleurgesteld, ik voelde me afgedankt. Hoe kon hij al de beloftes die hij maakte toen hij me twee weken kende, plots verbroken hebben! Hoe kon hij vergeten dat ik zo belangrijk voor hem was! Was ik wel echt zo belangrijk voor hem geweest..? Had hij nog wel echt in me willen investeren, of was dat alleen iets van de eerste verliefdheid? Was ik wel een overtuigde keuze geweest of bij nader inzien een bevlieging waar hij vervolgens aan vast gezeten had.. waar hij zich niet van los durfde te maken? Lieve, lieve jongen met je wijsheid. Soms baal ik dat ik je beter heb leren kennen. Het was veel fijner geweest te geloven dat ik meer was dan een bevlieging, dat ik het helemaal was voor jou, dat je achteraf enorm spijt zou hebben dat je het uitgemaakt hebt. Dan zou ik willen dat het net zo echt was -en dat was het- maar vooral net zo echt bleef, als het in het begin gevoeld had. Helaas, soms word ik wakker uit de droom die leven heet. En wakker worden heet ook leven trouwens.
Dus daar sta ik. Een beetje alleen, nogal verloren.
Opeens is hetgeen waarin ik zo druk, meer dan goed voor me was, heb geïnvesteerd, weggevallen. Ik sta. Ik kijk om me heen. Ik wen aan het idee.
Oké.
Dus.
Ik ben vrij!
Ik kan doen wat ik wil.
Lang leve de lol.
Ik maak een praatje met die mooie fietsenmaker.
Voor het idee geef ik mijn nummer erbij.
Ik ga langs bij die mooie buurjongen.
Het is helemaal neit erg dat hij wat minder op me let als hij aan het voetballen is.
Zo'n jongen, zo'n lange, gespierde jongen die keihard achter een bal aanrent.. dat is hét uitzicht! Ik geniet ervan. Ik durf ervan te genieten. Ik kijk om me heen. Goh, die andere jongens zijn ook erg leuk om te zien. Oeh! Dat meisje dat nu voorbij loopt, is zo mooi.. daar durf ik niet goed naar te kijken. Ik weet dat ik zou staren.
Af en toe een beetje alleen. Op zoek naar vrienden, vriendinnen, mensen die aandacht voor me hebben. 's Avonds zit ik alleen thuis. Ik vermaak me beter. Ik ben moe en ik zou wel eens willen dat iemand anders voor me kookte, maar vooruit. De vriezer en de magnetron koken ook voor mij. En opeens.. of per ongeluk wel een beetje verwacht, sta jij daar! Je staat daar. En dit had ik neit verwacht.. ik had gedacht dat ik met je zou praten, dat ik mijn aandacht zou krijgen en dat ej dan weer weg zou zijn. Maar helaas.. ik praat met je, ik krijg je aandacht en.. er slaat een vonk over! Opeens staan we daar samen te branden. Als een heel klein vlammetje, maar ik kan het niet ontkennen. Ik brand en jij, jij na je liters bier, jij brandt de pan uit.
Het was niet de planning. Weg met de vlam. Zand erover. Branddeken erover. Ik ga verder. Ik ga verder en ik weet dat ik ej voorbij loop. Al de hele dag, het hele weekend, diep vanbinnen is een vlammetje dat naar buiten wil. Zo'n vlammetje dat door het deksel branden kan in plaats van uit te doven omdat het van zuurstof afgesloten is. Aan de andere kant van de deksel weet ik dat jij brandt. Dat jouw deksel potdicht zit, maar het vlammetje dooft niet. En zo ga ik verder. Ik ben weg. Ik wil geen vlammen. Ik ben van het water. Het leven is mooi en zo zijn de mensen om me heen. Ik voel me niet alleen. Ik mis je niet. Welnee, dat voel ik maar.. De motor brandt, de bus rijdt, de trein rijdt, weg van jouw. Lang leve het branden, ik ga neit naar jou.
het is net uit.
jawel, ik ben vrijgezel.
het was even huilen, het was vervelend, zolang gevochten, uiteindelijk tegen beter weten in, maar wat moest ik? Ik wilde.. ik wilde hem. Hij was zo lief, hij zorgde voor me, hij was er voor me. Bij hem voelde ik me veilig, als het niet ging, kon ik bij hem komen. Of dat dacht ik.. uiteindelijk moest ik van alles een drama maken, deed ik alsof het nooit goed ging, alleen om een beetje aandacht. Meneer had het druk, hij had geen tijd voor me, hij maakte het uit. Ai.. na al die tijden dat hij zo voor me was gegaan, dat hij me alles had gegeven, hoe hij zich op me had gestort toen hij me nog amper kende.. was dit toch een bittere pil: nu hij me beter kende, wilde hij niet meer, kon hij niet meer, vocht hij niet meer.
Dus ik was verdrietig, ik was teleurgesteld, ik voelde me afgedankt. Hoe kon hij al de beloftes die hij maakte toen hij me twee weken kende, plots verbroken hebben! Hoe kon hij vergeten dat ik zo belangrijk voor hem was! Was ik wel echt zo belangrijk voor hem geweest..? Had hij nog wel echt in me willen investeren, of was dat alleen iets van de eerste verliefdheid? Was ik wel een overtuigde keuze geweest of bij nader inzien een bevlieging waar hij vervolgens aan vast gezeten had.. waar hij zich niet van los durfde te maken? Lieve, lieve jongen met je wijsheid. Soms baal ik dat ik je beter heb leren kennen. Het was veel fijner geweest te geloven dat ik meer was dan een bevlieging, dat ik het helemaal was voor jou, dat je achteraf enorm spijt zou hebben dat je het uitgemaakt hebt. Dan zou ik willen dat het net zo echt was -en dat was het- maar vooral net zo echt bleef, als het in het begin gevoeld had. Helaas, soms word ik wakker uit de droom die leven heet. En wakker worden heet ook leven trouwens.
Dus daar sta ik. Een beetje alleen, nogal verloren.
Opeens is hetgeen waarin ik zo druk, meer dan goed voor me was, heb geïnvesteerd, weggevallen. Ik sta. Ik kijk om me heen. Ik wen aan het idee.
Oké.
Dus.
Ik ben vrij!
Ik kan doen wat ik wil.
Lang leve de lol.
Ik maak een praatje met die mooie fietsenmaker.
Voor het idee geef ik mijn nummer erbij.
Ik ga langs bij die mooie buurjongen.
Het is helemaal neit erg dat hij wat minder op me let als hij aan het voetballen is.
Zo'n jongen, zo'n lange, gespierde jongen die keihard achter een bal aanrent.. dat is hét uitzicht! Ik geniet ervan. Ik durf ervan te genieten. Ik kijk om me heen. Goh, die andere jongens zijn ook erg leuk om te zien. Oeh! Dat meisje dat nu voorbij loopt, is zo mooi.. daar durf ik niet goed naar te kijken. Ik weet dat ik zou staren.
Af en toe een beetje alleen. Op zoek naar vrienden, vriendinnen, mensen die aandacht voor me hebben. 's Avonds zit ik alleen thuis. Ik vermaak me beter. Ik ben moe en ik zou wel eens willen dat iemand anders voor me kookte, maar vooruit. De vriezer en de magnetron koken ook voor mij. En opeens.. of per ongeluk wel een beetje verwacht, sta jij daar! Je staat daar. En dit had ik neit verwacht.. ik had gedacht dat ik met je zou praten, dat ik mijn aandacht zou krijgen en dat ej dan weer weg zou zijn. Maar helaas.. ik praat met je, ik krijg je aandacht en.. er slaat een vonk over! Opeens staan we daar samen te branden. Als een heel klein vlammetje, maar ik kan het niet ontkennen. Ik brand en jij, jij na je liters bier, jij brandt de pan uit.
Het was niet de planning. Weg met de vlam. Zand erover. Branddeken erover. Ik ga verder. Ik ga verder en ik weet dat ik ej voorbij loop. Al de hele dag, het hele weekend, diep vanbinnen is een vlammetje dat naar buiten wil. Zo'n vlammetje dat door het deksel branden kan in plaats van uit te doven omdat het van zuurstof afgesloten is. Aan de andere kant van de deksel weet ik dat jij brandt. Dat jouw deksel potdicht zit, maar het vlammetje dooft niet. En zo ga ik verder. Ik ben weg. Ik wil geen vlammen. Ik ben van het water. Het leven is mooi en zo zijn de mensen om me heen. Ik voel me niet alleen. Ik mis je niet. Welnee, dat voel ik maar.. De motor brandt, de bus rijdt, de trein rijdt, weg van jouw. Lang leve het branden, ik ga neit naar jou.
Abonneren op:
Posts (Atom)